Interview met Julia Philippens

Julia Philippens speelt haar gedroomde jazzvioolconcert: net zo vrij als Coltrane. “In dit stuk kan ik doen wat ik wil. Ik ga de boel sowieso opschudden.”

Interview met Julia Philippens

Door Margreet van Litsenburg

In de typisch Nederlandse januarimaand – grauw en grijs – heeft Julia Philippens haar toevlucht gezocht op een Spaanse berg. Ze logeert in de stijlvolle finca van een kennis. Haar viool heeft ze meegenomen, want er moet ook gestudeerd worden voor de komende uitzending van Podium Witteman, waar ze met Fuse al jaren vaste gast is. Daar, op die berg, speelde ze voor het eerst het jazzvioolconcert dat Thomas Beijer voor haar schreef. Een emotioneel moment, want hiermee komt een lang gekoesterde droom uit.

“Thomas en ik delen eenzelfde soort liefde voor muziek. We kunnen echt zwelgen in mooie klassieke melodieën, maar we houden ook erg van Duke Ellington en van jazz. Romantisch, maar ook een beetje onheilspellend, met een donkere laag erin. We begrijpen elkaar. Zo’n vioolconcert moet ook geen kitsch worden of iets ludieks. Het moet serieus genomen worden zonder pretentieus te zijn, maar dat is een dunne scheidslijn. Toen ik het stuk voor het eerst hoorde, dacht ik: ja, wauw!”

Hardop dromen

Julia spreekt haar dromen altijd hardop uit. Op de boot naar Schiermonnikoog, onderweg naar het kamermuziekfestival dat daar jaarlijks plaatsvindt, kwam ze Yoram Ish-Hurwitz tegen. Ze vertelde de artistiek directeur van Oranjewoud Festival dat ze een nieuw vioolconcert wilde met orkest.

“Normaal gesproken zeggen mensen dan: droom maar lekker verder. Maar Yoram pakte het op. Ik weet de volgorde niet helemaal meer, maar een collega-violist vertelde dat het Noord Nederlands Orkest echt een héél goed orkest is. Toen dacht ik: misschien moet ik Marcel (Mandos, artistiek leider van het NNO, red.) bellen, die ken ik wel. Marcel gebeld: ik heb een idee, ik wil een vioolconcert! Hij ging er ook op in, zei dat het ongeveer twintig minuten moest zijn, niet te lang. Daarna heeft het weer even stilgelegen. Maar toen had ik wel in mijn hoofd: het NNO moet het doen.”

Berg beklimmen

En nu is het jazzvioolconcert er: Technicolor. Julia is blij en trots, maar de weg hiernaartoe was geen gemakkelijke. Ze begon haar vioolcarrière bij de Fancy Fiddlers, onder de hoede van vioolpedagoge Coosje Wijzenbeek. Die hielp haar uiteindelijk naar het conservatorium.

“Ik zit nu toevallig op een berg, maar het voelde ook alsof ik een berg moest beklimmen. Coosje heeft heel lang in mij geloofd, alleen studeerde ik maar niet. Ik begreep daar helemaal niets van, want ik hield ontzettend van klassieke muziek. Ik dacht dat ik lui was. Waarom had ik die ambitie niet? Ik weet nog dat ik mijn zusje Rosanne voor het eerst een adagio van Mozart hoorde spelen. Zij was toen 11 en ik 13. Rosanne was altijd al technisch begaafd, maar niet zo expressief. En toen speelde ze Mozart en het was zó mooi! Ze speelde het precies zoals ik het wilde horen. Op dat moment dacht ik: dit moet jij gaan doen, want dan hoef ik het niet meer te doen. Heel gek. Verder was ik daar helemaal niet mee bezig. Ik deed waar ik zin in had, zoals buitenspelen, uitgaan en muziek luisteren: Michael Jackson, Queen, Ella Fitzgerald, Louis Armstrong. Ik wilde jazzzangeres worden en daarnaast speelde ik viool.”

Jazz

“Pas toen ik jazz ging studeren, kwam ik erachter wat ambitie was. Dat is wel echt een bewustwordingsproces geweest. Ik ben nooit echt gestopt met vioolspelen, maar tijdens een jaar in Spanje heb ik mijn viool nauwelijks aangeraakt. Op een gegeven moment stond ik op mijn balkon en voor het eerst in mijn leven had ik een zwaar gevoel. Het voelde leeg, terwijl ik het heel leuk had. Ik realiseerde me dat ik naar het conservatorium wilde: ik moet viool spelen, ik mis mijn viool, ik kan niet zonder. Coosje gebeld, en die heeft mij in drie weken klaargestoomd. Ik werd aangenomen in het eerste jaar op de klassieke afdeling. Maar ja, toen zat ik op het conservatorium en ik studeerde nog steeds niet. Tijdens dat jaar ging ik op tournee met Ivo Niehe. Er was geen bladmuziek bij de repetitie en ik moest mijn eigen partij bedenken. Ik merkte daar dat ik goed kon improviseren en creatief was, maar er was ook een plafond. Want ik wist niets van harmonieën en akkoorden. De saxofonist die meespeelde, Susanne Alt, wist dat wel en zei: als je dit interessant vindt en je wilt door dat plafond heen breken, dan moet je naar het conservatorium voor jazz. Daar werd ik aangenomen, wonder boven wonder. Toen begon het studeren. De eerste twee jaar moest ik keihard inhalen wat alle andere mensen al wat langer deden. Mijn lessen nam ik op. Dan deed ik er een week over om alles wat mijn docent vertelde in de les op te zoeken op Wikipedia, en alles wat hij speelde in de les op te schrijven en na te spelen. De volgende les kon ik dan alles spelen. Mijn klassieke opleiding was handig, want daardoor kende ik het heel snel uit mijn hoofd.”

Net zo vrij als Coltrane

“Ik heb lang niet begrepen waarom ik geen Mozart wilde spelen terwijl ik het wel mooi vind, maar dat heeft ook te maken met mijn ongeduldige karakter. Om een stuk van Mozart helemaal door te nemen, heb je veel geduld nodig. Ik vond het helemaal niet leuk om daarmee bezig te zijn. Voor Coltrane hoefde ik geen geduld te hebben, want dat was zo uitdagend, ik wilde het zo graag weten! Ik heb nachtenlang zijn solo’s uitgezocht om in zijn hoofd te kunnen kruipen. Zo ontdekte ik dat je soms alleen naar bepaalde muziek wilt luisteren, en soms wil je het ook kunnen spelen. Ik had dat met Coltrane en Charlie Parker. Door hen te begrijpen, kon ik vrij zijn om te improviseren. Als je weinig van jazz weet, is het lastig om die vrijheid te krijgen, omdat je die akkoorden niet goed snapt. Dat wilde ik zo graag, vrij zijn. Ik had zo’n enorme interesse in die jazzgrootheden. Toen begreep ik dat ik niet lui ben, maar dat ik gewoon niet de interesse had om Mozart te spelen.”

Improviseren met orkest

Met haar band Fuse vindt Julia een manier om jazz, klassiek en aanverwante genres te combineren. Er is alle ruimte voor experiment en improvisatie. Hoe zal het zijn om te improviseren met het Noord Nederlands Orkest?

“Improviseren betekent dat je zelf bedenkt wat je gaat spelen. Het maakt niet uit in welke bezetting dat is en het maakt ook niet uit wat de andere musici doen. Als zij geschreven partijen hebben, kan ik nog steeds daar overheen mijn eigen partij bedenken. Thomas heeft secties gemaakt waarin het orkest dingen kan herhalen, of hij heeft de partij wat leger gemaakt en ik ga daar overheen improviseren. Het is een beetje zoals apenkooien vroeger met gym. Dan stonden er allemaal toestellen in de gymzaal. Ik moet nu over dat parcours heen. Thomas heeft bijvoorbeeld geschreven: improvisation section, f-mineur, met het aantal maten erbij. Daar moet ik bedenken wat ik wil doen. Dat moet ik studeren, want met apenkooien moet ik die toestellen heel goed leren kennen en ik moet ook weten hoe lang mijn aanloop is om ergens overheen te springen of ergens op te landen. In dit stuk kan ik doen wat ik wil. Ik ga de boel sowieso opschudden. Ik hoop dat het orkest de vrijheid voelt om op mij te reageren of om een bepaalde energie over te nemen. Dat ze me pushen, bijvoorbeeld. Of het wordt een spel, dat ik doe alsof ik een vogel ben die uit een kooi wil en dat zij steeds de deur dichtgooien, ik zeg maar iets. Het zou mooi zijn als het een wisselwerking is waar het orkest ook invloed op heeft. Dan is het voor mij geslaagd.”

Interview met Julia Philippens

24 januari 2022